Een paar maanden terug gebruikte mijn collega ineens het woord ‘doorselecteren’. Ik had er nog nooit van gehoord. ‘Het is afkomstig uit de sportwereld,’ zei hij, ‘met name het voetbal.’ Het betekent dat spelers op hun prestaties worden beoordeeld. Vallen die tegen? Dan wordt er verder gekeken. Geen natuurlijke selectie, maar doorselecteren.
Doorselecteren kende ik niet, maar wel het continu verbeteren van een team door selectieprocessen. Er wordt meegewogen wat voor iemand een goede aanvulling zou zijn op het team, zonder dat er eerst actief iemand aan de kant wordt geschoven. Oftewel, alleen als er op natuurlijke wijze een plek vrijkomt. Daarmee heb je het teamrollen of persoonlijkheidsprofielen en methoden om deze te definiëren, zoals Belbin en DISC. Je wil geen schip met alleen maar kapiteins. Of alleen maar doeners. Laat staan alleen maar denkers. In het ideale geval heb je een harmonieuze mix waarbij iedereen elkaar aanvult én elkaars kwaliteiten kent.
Ondertussen blijft het de vraag in hoeverre die modellen recht doen aan de werkelijkheid. Mensen zijn complex. Modellen zijn een vereenvoudiging. Hoe eenvoudiger het model, hoe aantrekkelijker deze lijkt. Misschien dat de DISC-methode daarom wel zo populair is. Dat gaat uit van slechts vier persoonlijkheidstypen. Met de concessie dat ieder mens op ieder van de vier gebieden een bepaald percentage scoort.
Ik ben wel van het type denker. Alleen al om die reden vind ik methoden en theorieën interessant. Ik was nooit iemand die elektrische apparatuur uit elkaar haalde om te kijken hoe iets in elkaar zat, dat was me te technisch. Maar met persoonlijkheidsmodellen doe ik dat maar al te graag. Uit elkaar halen en weer in elkaar zetten. Zolang het maar een vleugje filosofisch blijft dan hou ik van dingen ontleden en analyseren.
Vanwege diezelfde denkerspersoonlijkheidsdeformatie schieten me soms gedachten te binnen als: dit zou nou een perfecte vraag zijn om in een persoonlijkheidstest op te nemen. Zoals de dinovraag: hoe reageer je als er een dino in de straat staat? Ik bedoel geen echte dinosaurus, maar eentje van polyester.
Bij mij in de straat staan een aantal dinosaurussen. Niet in het wild, maar op de parkeerplaats van een bedrijfsgebouw. Een tijdje terug fietste ik met iemand daarlangs. Hij zei. ‘Hier snap ik dus helemaal niets van. Wat doen die dino’s daar?’
Ik was in shock. Lichtelijk, maar desondanks: in shock. Er viel niets aan te snappen. Dat was juist het leuke eraan. Het hoorde niet bij de collectie straatmeubilair die je op een parkeerplaats verwacht. Daar verwacht je misschien bankjes, lantaarns, prullenbakken en ezelsruggen. Dino’s verwacht je überhaupt niet in het straatbeeld. Het is niet logisch. De absurditeit is juist het leuke.
Inmiddels ben ik al een paar keer mensen gepasseerd die juist op dat moment hardop uitspraken dat ze die dino’s niet snapten. Blijkbaar bestaan er twee soorten mensen als het aankomt op dino’s op een parkeerplaats. Mensen die het leuk vinden en mensen die er niets van snappen.
Een andere kanshebber voor de persoonlijkheidstest is de autorijbaanvraag. Laatst in de auto vroeg mijn vriendin zich af op welke rijbaan de meeste ongelukken gebeuren. ‘Links of rechts?’ (We reden op een driebaansweg, dus de middelste baan was ook een optie.) Over de linkerbaan zei ze: ‘Het is daar heel veel optrekken en remmen.’ Over de gemoedelijke rechterbaan zei ze: ‘Ik denk dat hier veel mensen rijden die zich makkelijk aanpassen.’ Ik bestempelde de vraag meteen als de autorijbaanvraag.
In het ideale geval heb je een harmonieuze mix van verschillende soorten mensen. In de praktijk is het vaak zoals op de weg. Links en rechts ergeren zich dood aan elkaar. En vinden van elkaar dat ze de meeste ongelukken maken.